Waarom ik wegzap bij wondertherapiëen

Vroeger was het makkelijk. Als je een gehandicapt kind kreeg, was daar verder niets aan te doen. Na een jaar of wat goedbedoeld aanmodderen, kon je het zonder scrupules in een tehuis stoppen en vrolijk doorgaan met je leven. Niemand die het je kwalijk nam of je van slecht ouderschap betichtte. En als ze dat al deden, kreeg je het toch nooit te horen want Twitter bestond nog niet.

Tegenwoordig zijn de mogelijkheden onbegrensd. Als ik wil, kan ik met mijn spastische zoon van de ene zuurstof therapie-tank op de andere dolfijn springen, hippo- met hydrotherapie afwisselen en via de Bobath methode doorstromen naar een Feuerstein groep.

Ik word daar dus heel onrustig van.

Het enige dat we serieus hebben overwogen is een hardvochtig Hongaars klasje, waar rolstoelen niet welkom zijn en alles van hout is. Dit leek mij voor Ties, als vierjarig spastje, een uitermate geschikte methode om hem enigszins op de been te krijgen. De 3 assistenten die tegelijkertijd nodig waren om hem op één houten bankje te positioneren, dachten daar anders over. Bij de afwijzing heb ik zo hard gehuild dat de bril van de revalidatiearts besloeg.

Uit pure zelfbescherming, want ik huil nogal snel, begin ik maar nergens meer aan. Al jaren Google ik niet meer op ‘spasticiteit’ en ‘genezing’. En bij een documentaire over een halfdoodgeschopt jongetje dat zijn linkerpink weer kan bewegen door trampolinetherapie in Mississippi, zap ik zo snel mogelijk weg. 

Toch blijf ik stiekem verslaafd aan succesverhalen. Zo lees ik nu “Son Rise” van Barry Kaufman. Het verhaal van een vader die zijn autistische zoon de gewone wereld in wist te trekken. Het kind dat vanaf de geboorte ‘gekkenhuis’ op z’n voorhoofd had staan, kreeg uiteindelijk een normaal leven. Met uiteraard een afgeronde universitaire studie. Dat is een vereiste bij Amerikaanse Miracle Stories, voor minder komt Oprah haar bed niet uit.

Bij het voorwoord, van de zoon, met de ene hoopgevende oneliner na de ander, voel ik een lyrische vreugde. 
Bij hoofdstuk 3 voel ik respect: wát een toegewijde ouders.
Bij hoofdstuk 5 voel ik me zoals ik me altijd voel bij hoofdstuk 5 van een zelfhulp boek. Totaal mislukt. 
Als mens. Als moeder. Als vrouw. 

Hoe kunnen ze dat? Maandenlang 24 uur per dag hun zoon observeren. Hebben ze geen baan? En wat doen ze met hun andere kinderen: vastbinden in de kelder? 
Ik lees over nachtenlange gesprekken van het echtpaar. Samen lachen. Samen dansen. Samen huilen.

“Waarom huil jij nooit om Ties?” vraag ik aan mijn man naast me op de bank. “Deze vader doet dat wel.”
“Waarom rij jij altijd deuken in de auto?” antwoordt hij. “Ik doe dat niet.”

Omdat hij daar best een punt heeft, dring ik verder niet aan. We hoeven ook niet samen te huilen. We hoeven niet maandenlang onze gehandicapte zoon te observeren. We hoeven geen Miracle Story te worden.

“Kom,” zeg ik tegen Ties, die hoopvol opkijkt omdat zijn luie ouders hem al een uur voor de tv hebben gezet.
“We gaan wandelen langs het Spaarne. Zuurstoftherapie.”

 

 

Tags: , , , , , , , , , , , , ,

Related Posts

Previous Post Next Post
119 shares