En dan duw ik ineens een lepralijder voort

Elise en Ties zomer 2012 - foto Elise van der Velde
“Mag ik voor uw zoon bidden?” vraagt een vrouw als ik op de Grote Markt de rolstoel van Ties door de zaterdagdrukte laveer.  
“O ja hoor,” antwoord ik. En loop door. 
“Maar dan moet u wel stilstaan!!!” roept de vrouw me na. Ze heeft haar handen al opgeheven.
Ik ga er nog sneller van lopen. 
De zon schijnt. We hebben net koffie gedronken en taart gegeten. In ruil daarvoor mag ik straks zoveel kleren passen als ik wil, heeft Ties mij beloofd. Daarna doen we weer iets dat hij leuk vindt. Waarschijnlijk koffie drinken en taart eten. 
En dan, door zo’n vrouw, ben ik opeens niet meer gezellig met mijn oudste kind op pad maar duw ik een lepralijder voort. Een ongelukkige. Een ongeneeslijk zieke die slechts gered kan worden onder de luifel van een marktkraam met ‘Jezus Leeft’.
Eigenlijk had ik wel moeten stilstaan. Om de vrouw te vragen wat haar bezielt om voor Ties te willen bidden. Waarom ze denkt dat het niet goed met hem gaat. En of ze mij ook had aangesproken als ik met m’n 4-jarige dochter was langs gehuppeld. 
Maar ja. Het is altijd zo goed bedoeld. Het beeld van een kind in een rolstoel maakt kennelijk iets los bij mensen. En daar moeten ze dan wat mee. 
 
Zoals die bejaarde die mij een welgemeend “Ik vind het zo rot voor je meid!” toefluistert. Of de moeder van een kind dat net als Ties was, maar nu dood. En die daar dan uitgebreid over gaat vertellen over het hoofd van de mijne, die nog leeft en niet gek is (en ook niet doof).
Of de twee jongens in de pizzeria die rond het tafeltje cirkelen waar ik met Ties zit. Ze kijken een beetje. Lopen weer weg. Komen weer zitten, een tafeltje verderop.
Net als ik ze uit hun lijden wil verlossen door “Willen jullie soms weten wat hij heeft?” te roepen, neemt de dapperste het woord. 
“Mag ik u wat vragen? Is hij, ongeacht zijn ziekte, wel gelukkig?” 
“Volgens mij wel,” zeg ik. “Ties, ben je gelukkig, ‘ongeacht je ziekte’?”
Ties kijkt de jongens aan, opvallend helder voor zijn doen. 
Hij zegt luid en duidelijk: “JA!” 
De jongens vertrekken.
Wij gaan weer door met net doen of we een gewone moeder en een gewone zoon zijn, die een pizza eten. 

Related Posts

Previous Post Next Post
0 shares